God
heeft ooit - in de brandende braamstruik - Zijn/Haar naam (“Ik ben er voor jou”) aan ons gegeven. Hij heeft
ons die Naam gegeven om te gebeuren, om geheiligd te worden door ons. Op het
moment dat vandaag-de-dag iemand naast de ander gaat staan en zegt “ik ben er voor jou” gebeurt
God, gebeurt Gods Naam, wordt Gods Naam geheiligd. En dat zal te zien zijn in die ander: hij/zij gaat rechtop. In beide
lezingen van vandaag gaat het over roeping/zending,
van Jesaia in de eerste lezing, van Petrus en de eerste leerlingen in het evangelie. Roeping of
zending heeft alles van doen met het gestalte geven aan Gods Naam.
De
eerste lezing eindigt met God die vraagt: “Wie zal Ik zenden, om mijn Naam
bekend te maken, wie zal in mijn Naam gaan?” De profeet Jesaia
antwoordt: ”Hier ben ik, zend mij.” Hij is er klaar voor om Gods Naam (“Ik ben
er voor jou”) te doen, en om mensen op te roepen om Gods Naam te doen: in een
visioen heeft Jesaia kracht ontvangen van boven en
zijn zijn lippen en hart gezuiverd. En dat is nodig,
want een profeet wordt niet altijd geëerd in zijn eigen land, omdat hij zich
kritisch uitlaat over bestaande gewoontes, en wetten niet naar de letter maar
naar de geest interpreteert. Het gaat om de bedoelingen van God met deze
wereld, en die staan vaak haaks op wat mensen willen: Hij wil immers het geluk
van mensen.
Leonidas Proano, de bekende
bisschop van Riobamba in Ecuador,
de eerste Latijns Amerikaanse bisschop van Indiaanse komaf,
was een profeet van deze tijd. Van hem is bekend dat hij geen omhaal van
woorden kende. Dat was zijn levens- houding en hij verlangde dit ook van zijn
medewerkers. Eens kwam hij op bezoek in een afgelegen dorp van zijn bisdom. Hij
vroeg met belangstelling aan de catechist, hoe het ging, of er ook moeilijkheden
waren. “Nee, totaal niet”, zei de catechist, “het is allemaal pais en vree”. “Dan heb ik zo mijn twijfels of je de
boodschap wel goed brengt”, was het antwoord van Proano. Als de boodschap geen reacties
oproept, zegt hij, mag je veronderstellen dat ze niet krachtig en zuiver, maar soft en met omhaal van woorden is gebracht, om de kool en de
geit te sparen. Gods boodschap is goed nieuws, maar omdat ze de wereld op zijn
kop zet, omdat ze belangen aantast en kritische vragen stelt bij bestaande
praktijken, roept ze vaak weerstand op.
Toch
is dát de enige manier om Gods boodschap te brengen:
Ze mag niet afgezwakt worden. Dat is wat Jesaia
ervaart, wanneer hij gezonden wordt om als profeet op te treden. In een visioen
ziet hij dat Gods engel zijn lippen zuivert met een gloeiende kool en hem
geschikt maakt om Gods boodschap uit te dragen. In het evangelieverhaal van
vandaag, wanneer Jezus zijn eerste leerlingen roept, gebeurt iets dergelijks. Petrus voelt zich een zondig mens in zijn aanwezigheid,
ongeschikt om Hem te volgen. Petrus en de eerste
apostelen laten hun vissersboten liggen en volgen hun innerlijke roepstem. Ze
zijn geraakt door de uitstraling van
Jezus van Nazareth, en geven zich gewonnen; hun leven krijgt vanaf dat moment een
totaal andere wending; zij gaan zich inzetten voor mensen - als vissers van
mensen - zegt het evangelieverhaal. Zij gaan zich inzetten voor een andere
wereld, voor ‘deze wereld omgekeerd’.
“Wie zal Ik zenden?” Is het niet zó dat wij
onmiddellijk denken “dat is niet voor mij”, en denken aan bijzondere mensen, en
vooral aan priesters? Zowel in het geval van Jesaia
als in het geval van Petrus en de eerste leerlingen
van Jezus - gaat het toch om gewone
mensen, die zich als klein en zondig ervaren, en zich niet geschikt achten om in dienst te treden van God,
om Gods Naam te doen. Maar voelen ook wij onszelf
aangesproken, wij gewone mensen zoals wij hier zitten, mannen én vrouwen? Toch heeft in de loop de eeuwen - om wat voor
reden dan ook - de kerk dit verengd ….en dit verhaal uitgelegd als een roeping tot celibatair
priesterschap.
Wie
zal ik zenden? Het
is mijn overtuiging, dat deze zending is weggelegd, niet alleen voor hen, maar
voor alle gewone mensen, zowèl mannen àls vrouwen. Het is mijn overtuiging dat deze
verenging tot celibataire mannen, met uitsluiting van
vrouwen, in de prediking van de katholieke kerk, tijd- en cultuurgebonden is.
Want
in onze westerse samenleving hebben vrouwen hun plek veroverd en gekregen: Wie
kent niet Rosa Parks, een eenvoudige zwarte vrouw,
die haar plaats in de bus weigerde af te staan aan blanken, en daarom de moeder
van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging werd? Wie kent niet Aletta Jacobs de
eerste vrouw, die een HBS bezocht, universitair onderwijs volgde en promoveerde
tot arts, de vrouw die in het begin van de vorige eeuw vocht voor
vrouwenkiesrecht en won? En daarmee het aanzien van Nederland veranderde? Wie kent
niet Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister in
ons land? Een politiek zwaargewicht; de algemene bijstandswet is van haar hand. Voor haar was
het een vanzelfsprekende zaak dat de vrouw in beginsel even geschikt was als de
man, voor welke functie dan ook.
Nogmaals, vandaag is dit geen kwestie meer in ons land,
en in de westerse samenleving, maar waarom dan wel in de katholieke kerk? Terwijl
je toch eigenlijk anders zou mogen verwachten? Terwijl je toch eigenlijk zou
mogen verwachten, dat juist de kerk het voortouw zou
nemen, op grond van haar bevrijdende boodschap, die zij zegt uit te dragen? Het
evangelie geeft volgens mij geen aanleiding voor die uitsluiting, integendeel.
Wie
zal Ik zenden? Zou
het werken aan een mooie wereld, aan ‘onze wereld omgekeerd’, ook niet weggelegd
zijn voor gewone mensen als wij, zowel mannen áls
vrouwen? Waarom zouden ook wij ons niet aangesproken voelen? Het gebeurt toch
eigenlijk ook al in onze gemeenschap, zowel op het terrein van de diaconie als op
het terrein van pastoraat en liturgie:
Ik
zie dat velen geraakt worden door de nood van mensen om ons heen en in actie
komen. Wat gebeurde er hier in de kerk verleden week, toen het Armeense gezin,
dat tien jaar bij ons gewoond heeft, door de vreemdelingenpolitie van bed
gelicht werd om uitgezet te worden? Wij vragen terecht met onze handtekening
voor een humanitaire oplossing, in plaats van een rigoureuze toepassing van de
wet.
Ik
zie dat in onze gemeenschap ook vrouwen gaandeweg een grotere rol zijn gaan
spelen in pastoraat en liturgie.
Wie
zal Ik zenden? Ja, wij zijn állemaal geroepen om Gods
Naam ”Ik zal er zijn voor jou” gestalte te geven in onze wereld vandaag, wij állemaal, zowél mannen áls vrouwen; niemand is onbelangrijk daarin. Zullen we het
daar maar bij houden …… en er in de praktijk naar blijven handelen?