Het volk Israël trekt door de woestijn. Het is ontkomen aan de macht van de Farao in Egypte en op zoek naar vrijheid, naar ruimte om te leven, om er te mogen zijn. Het is een kwetsbare groep: de gevaren van de woestijn, wilde dieren, honger, dorst en wat al niet, liggen op de loer. Mozes wil zijn volk beschermen voor al deze gevaren. De gemeenschap moet worden behoed. Vandaar ook het voorschrift rond melaatsheid, waar wij misschien wel van zullen schrikken: de melaatse moet zichzelf kenbaar maken, roepen en schreeuwen dat hij besmettelijk is. Vreselijk, denken we dan. Dat zouden wij toch niet willen. Of misschien toch wel? Zijn wij ook niet als de dood voor mensen die besmettelijk zijn? Verwijderen wij hen ook wij niet uit onze samenleving of gaan we er met een boog omheen? Mijden we zelfs niet de mensen die in onze ogen vuil, onaantrekkelijk of vreemd zijn? Maken we niet heel gemakkelijk onderscheid tussen wij en zij, waarbij wij dan altijd beter is dan zij? Het lijkt wel ingebakken in onze genen dat zoeken naar het vertrouwde en bekende. We willen wel graag goed zijn voor mensen die er slecht aan toe zijn: ziek of zwak, maar het moet niet al te zeer onze eigenheid bedreigen of aantasten, niet ál te vreemd zijn.
Jezus doet het anders, Hij gaat veel verder dan alleen maar goed zijn voor de zieke of zwakke medemens. Hij wordt in het verhaal van Marcus geconfronteerd met een melaatse: een ernstig besmettelijke mens dus aan wie het verboden was contact te zoeken met anderen. De melaatse heeft zelfs geen naam, een schrijnende bevestiging van zijn anonieme bestaan buiten de gemeenschap. Maar de melaatse houdt zich niet aan de regels. Hij heeft kennelijk gehoord over Jezus en doorbreekt de grens van afzondering en buiten blijven. Hij valt op zijn knieën voor rabbi Jezus en bidt hem in uiterste nood om genezing. Die rabbi heeft immers al veel meer mensen genezen?
Met Jezus gebeurt er dan iets wonderlijks: Hij raakt diep ontroerd, staat er. En Hij raakt de melaatse aan! Dat is iets wat eigenlijk ondenkbaar is, een melaatse aanraken betekent immers dat je zelf melaats kunt worden en die kans is heel groot. Het zijn echte helden zoals Peerke Donders en Damiaan de Veuster die dit doen. U hebt waarschijnlijk wel van hen gehoord. Zij gingen zelfs tussen de melaatsen wónen. Ook bij Jezus is de ontroering om de zieke mens veel groter dan de zorg om eigen hachje. Ook Hij doorbreekt een grens! Met heel zijn wezen wil Hij dat de melaatse rein wordt. Maar Hij lijkt bijna te schrikken van wat Hij doet. Hij beseft waarschijnlijk dat Hij heel ver is gegaan en Hij beveelt de melaatse op barse toon om zich nu aan de regels te houden: zich laten controleren door de priesters. Pas als hij echt helemaal genezen blijkt van zijn melaatsheid kan hij weer in de gemeenschap worden opgenomen. En Jezus zegt hem ook nog te zwijgen over wat er gebeurd is. Maar dat is teveel gevraagd. Zwijgen over zo’n groot wonder, dat kan toch niet! De genezen man bazuint het uit! Iedereen moet het horen en iedereen wordt aangestoken: niet door melaatsheid maar door de kracht van Jezus.
Het is de intense kracht tussen deze Jezus en de melaatse die kennelijk genezend werkt: de kracht van het vertrouwen van de melaatse en de ontroering van Jezus daarover. Grenzen tellen niet meer, het diep menselijke contact tussen deze twee mensen is de bron van genezing. Werkelijke bewogenheid om de ander en diep vertrouwen zijn de wortels van dit genezingsverhaal.
Nu wij.
Hoe staan wij in het leven? Hoe gaan wij om met elkaar? Hoe gaan wij om met de mens die onze veilige wereldje bedreigt of aantast? Waar laten wij ons door leiden? Hoe ver durven we te gaan? Het zijn grote vragen die ons niet met rust laten. Me werkelijk inlaten met de ander die zo heel anders is dan ik, die misschien of zeker besmettelijk is, die andere normen en vormen heeft, die haaks staat op mijn wereld, waar ik onzeker en onhandig van word, waar ik bang voor ben….
De weg gaan van Jezus vraagt veel, heel veel. Het is een weg die geen zoete koekjes bakt, maar ons uitdaagt om altijd weer iets meer te wagen dan we denken aan te kunnen, verder te gaan dan de door ons getrokken grens. Aan de andere kant van die grens is misschien heel veel te beleven, veel waar we amper weet van hebben. Er is zoveel meer dan ons eigen wereldje. Durven we uitbreken en ons begeven in het onbekende? Laten we ons gezeggen door het Evangelie, vertrouwen we erop dat we gedragen worden door God, die Liefde is, zoals Jezus deed? Kunnen we onszelf vergeten?
De melaatse kan ons aansteken, kan ons besmetten met zijn grote vertrouwen. Bidden we in deze viering dat ons dat mag overkomen!