Een hemel op aarde

© Nan Paffen, Heerlen 2009



De berg op. Zowel in de eerste lezing als in het evangelie gaan mensen de berg op, en telkens ontmoeten ze er God, zij het op verschillende wijze. Abraham moet van God de berg Moria optrekken, om daar zijn zoon Isaac als brandoffer op te dragen. Maar als het erop aankomt, verbiedt God hem de jongen ook maar met een vinger aan te raken. Het verhaal van Abraham wil het verhaal zijn van vertrouwen, want ogenschijnlijk wilde God hem wel zijn enige zoon doen offeren, en Abraham lijkt daar inderdaad ook toe bereid. Maar veel meer dan het verhaal van blind vertrouwen is het een verhaal van openbaring: God maakt zich aan de mens bekend als een God van levenden, niet van doden. Hij is geen God die je te vriend moet houden met mensenoffers, zoals veel mensen, die in die tijd en cultuur leefden, geloofden. Het is de worsteling van Abraham met het geloof van zijn jeugd, waar mensenoffers niet ongebruikelijk waren. Vele jaren geleden was Abraham ingegaan op de roepstem van die ene God, maar hij was er misschien nog niet in geslaagd zich volledig van de goden van zijn jeugd los te maken. Hij was er dus echt van overtuigd dat hij Isaac moest offeren, want elke eerstgeborene moest aan de goden geofferd worden. Aan de goden, ja, maar niet aan de God die zich openbaart als een God van leven en liefde. Hoe zou een God die leven en liefde is, mensenoffers kunnen eisen!

En dan vindt Abraham een ram. Een ram dat voor hem teken is van nieuwe toekomst. Of, zoals Heidi Dekeuning het formuleert,

Weet ook: Er is een weg.
We geraken hieruit, niet zonder kleerscheuren,
-het bergop, de lange tocht, het mes, dat vergeet je nooit-
maar eruit, met vernieuwde hoop,
dat er ergens ook voor jou een ram verborgen zit in de struiken,
een ram die je toekomst geeft,
die jouw toekomst doet herleven,...

Ook Jezus trekt de berg op. De berg, die in zijn leven een belangrijke rol speelde. Het was op een berg waar hij zijn eerste grote ‘rede’ hield, waar hij zijn ‘programma’ bekend maakte, bij ons beter bekend als ‘de bergrede’. Het was in de bergen, waar Hij zich terug trok als Hij alleen wilde zijn en wilde bidden. De Joden zagen de berg ook als een plek tussen hemel en aarde waar God en mens elkaar ontmoeten. Nu Jezus zijn einde voelde naderen, gaat Hij weer de berg op. Slechts 3 van zijn leerlingen neemt Hij mee: Petrus, Jacobus en Johannes. De drie sterksten van het apostelteam. Hier op de top van de berg, mogen ze een glimp opvangen van het goddelijk geheim. Even worden de drie uit de alledaagse sleur en zorgen gehaald en mogen ze even in de toekomst kijken. Een ‘hemelse ervaring’, stralende zon, een onvergetelijke gelukservaring. Woorden schieten tekort. Gedaanteverandering, een glimpje licht; het duurde heel even maar, een paar seconden. Even waande je je in een andere wereld, de aarde werd hemel, een hemel op aarde.

En ik vind het niet zo vreemd dat Petrus hier tenten wil bouwen. Dat je vast wil houden aan dat overweldigende, dat mooie. Er gebeuren soms dingen in je leven, waarvan je zou willen dat ze nooit voorbij gingen. Dat wil je vast houden. (De kinderen in de nevendienst gaan ook een tentje vouwen. En daarop mogen zij hun gelukservaringen schrijven; dingen waarvan zij dromen, die zij vast willen houden. Straks zullen we zien wat ze ervan gemaakt hebben.)

 

Maar dan wordt Petrus op de vingers getikt, uit de droom gerukt. De tentenbouw gaat niet door. Het visioen is voorbij. Het staat er heel nuchter. “Toen ze rondkeken zagen ze plotseling niemand meer dan Jezus alleen”. Ze zijn terug in de werkelijkheid.

 

Je ziet en je wilt het vasthouden -maar dat kan niet-. We kennen de ervaring allemaal.
Toch... het feit dat je het zag, het voelde. Dat geeft kracht. Je weet ook: Er is een weg.
We komen hier wel uit, misschien niet zonder kleerscheuren, -het bergop, de lange tocht, dat vergeet je nooit- maar we komen eruit, met vernieuwde hoop, dat er ergens ook voor ons een ram verborgen zit in de struiken, zoals Abraham een ram vond. Een ram die weer toekomst geeft, die toekomst doet herleven,...

Met Jezus dalen ze de berg af, terug naar de vlakte en de mensen die daar leven. En daar, in de alledaagse werkelijkheid, gebeurt het werkelijk. In wat Jezus voor de mensen gaat doen, straalt evenzeer zijn goddelijkheid door als op de berg. Hier in de vlakte onderhoudt Jezus zich niet met Mozes en Elia, hier bekommert Hij zich om mensen, om armen en zieken, melaatsen en zondaars, weduwen en wezen; voor allen die een beroep op hem doen, heeft hij een open oor en hart.

Niet op de berg, maar in de vlakte, bij al die gekwelde mensen, daar zullen Petrus, Jacobus en Johannes de ware Jezus ontdekken. Dáár doet Hij de wil van zijn Vader. Daar is Hij de Welbeminde Zoon. Daarom moeten zij, moeten wij van de berg af om die hemel tot werkelijkheid te maken, hier op de begane grond.

En dan kunnen we ons misschien optrekken aan onderstaande tekst (uit een Belgisch misboekje):

Van tijd tot tijd moet je het doen: de berg opgaan.

De wereld laten verstillen, jezelf en de anderen hervinden in gebed,

het volle licht van God laten schitteren op je gezicht.

 

Dat kan in het gezelschap van Jezus, uit wie dit heldere licht al straalt

en in het gezelschap van andere bergbeklimmers, godzoekers zoals Mozes en Elia.

 

Het was voor hen geen wereldvlucht.

Zij namen alles mee op die berg:

het wel en wee van hun volk, hun machteloosheid en hun ontgoocheling.

 

Maar er kwam even vrede in hun hart.

Zij ontvingen nieuwe kracht om af te dalen, om opnieuw te beginnen.

 

Want wie op de berg alles in het volle licht heeft gezien,

kan ook God vinden in het verwrongen gezicht dat lijden heet.

Amen.