Ik las in een blaadje van Amnesty
International het volgende verhaaltje over een man, die zich bekeerd had tot
het Christendom:
U ziet, kameraad Schimanow,
alles wat u vertelde, bewijst dat er aan uw ‘bekering’
een ziekte ten grondslag ligt. Wij zijn specialisten, zo zei de psychiater, u
kunt het van ons aannemen. U groeide op in een familie van niet-gelovigen. U
kreeg uw opleiding op een Sovjetschool. U bent een ontwikkeld mens en
plotseling – pang – bent u gelovig. Hoogst merkwaardig….
Wat zou er in werkelijkheid met deze man gebeurd zijn,
dat hij – pang – ineens gelovig werd?
Misschien is hij begonnen zich dingen af te vragen: wie
ben ik, waar kom ik vandaan? Waartoe dient alles en hoe lang nog? Misschien
heeft hij een mens ontmoet, die leefde vanuit het geloof en die het verlangen
in hem wekte ook zo te leven…..?
(bron:
Friedricht Dietz: twee
minuten per dag; verhalen en gebeden; 1991)
Het lijkt erop dat ook de leerlingen van Jezus, onder
leiding van Simon Petrus, ook zoiets ervaren hebben. Het
verhaal vertelt dat Jezus al twee keer eerder aan hen is verschenen, maar
blijkbaar is het toch nog heel onwerkelijk. Ze zijn nog steeds aangeslagen. Dan
maar weer terug naar het water, naar hun oude ambacht: de visvangst. Zoeken
naar iets dat vertrouwd is, dat houvast kan bieden in hun zo onzeker geworden
bestaan. En ze waren per slot van rekening vissers. En zijn dat gebleven, want
Jezus had hen ‘benoemd’ tot ‘vissers van mensen’. Dat was hun taak, hun opdracht;
dat is het nog steeds.
Maar ook die visvangst loopt uit op een teleurstelling,
want die hele nacht vangen ze niets.
Dan zien ze een man op aan de oever staan. Jezus.
Aanvankelijk weten ze niet dat Hij het is. Hij vraagt om iets te eten. Maar ze
hebben niets gevangen die hele nacht…..
Wanneer Jezus het zegt het net uit te gooien aan de
andere kant van de boot, dan gebeurt er iets met Petrus
en zijn vrienden: ze hebben ineens een net vol vissen,
maar veel meer nog overspoelt hun de herinnering aan jaren geleden, toen ze Jezus
de eerste keer ontmoet hadden. Ook toen waren ze aan het vissen; ook toen
hadden ze niets gevangen. Ook toen zei hij hun het net aan de andere kant uit te
gooien. En ook toen waren de netten zo vol. Dat was ook het begin van hun
vriendschap. Maar het was meer dan alleen vriendschap: deze man had een ideaal,
een droom. Deze Jezus vertelde hun wie God was en hoe
ze God mochten zien. En hoe ze deze wereld weer konden maken tot het ‘koninkrijk
van God’, tot een mooie wereld voor iedereen: klein en groot, arm en rijk, ziek
en gezond, priester of gewone man. Hij leefde het voor, als een echte zoon van
God. Een vriendschap en een ideaal dat zo wreed geëindigd is, toen hun
leidsman, hun beste kameraad, hun ‘Meester’ aan het kruis genageld werd. En nu
horen ze weer die stem: gooi het net dan uit, rechts van de boot…..
Dit zijn dé momenten waarop de leerlingen tot geloof
komen, tot écht geloof.
De leerlingen van Jezus werden niet – pang – zo in een
moment bekeerd, zoals die kameraad Schimanow. Net
zoals de meeste van ons niet zo’n echt ‘bekeringsmoment’
zullen hebben meegemaakt. Maar misschien zijn er wel van die momenten in
iemands leven, waarin je dat geloof ineens heel sterk
kunt ervaren. Zo’n moment is deze gebeurtenis, die ons
vandaag verteld wordt, in elk geval geweest. Er wordt met veel respect en
voorzichtigheid verteld over de aanwezigheid van Jezus in hun midden. Ze
herkennen hem in het reken en delen van het brood en in het ronddelen van de
vis. Dat gebaar is Zijn herkenningsteken. Ze herkennen hem daarin, maar durven
niet te vragen of Hij het echt werkelijk is. Hij is onder hen aanwezig, dat
geloven zij. En dat is niet in woorden te vatten.
En zo is Jezus ook in het geloof en in het leven van onze
kerken aanwezig, levend!
Maar we hoeven niet te vragen hoe dat precies zit. We
hoeven geen ruzie te maken of dat precies zo gebeurd is. Belangrijker is dat we
doen wat Hij deed:
Het brood breken en delen met elkaar; naar buiten gaan en
daar het brood breken en delen met anderen. Dan zullen ook wij Hem herkennen.
Dan zullen anderen ook ons herkennen.