Als wij hier de kerk
binnenkomen, lopen wij langs een thermometer. U wordt erop attent gemaakt, dat
dit gebouw aan renovatie toe is, en dat daarvoor uw bijdrage nodig is. Natuurlijk
is een gebouw onontbeerlijk waar mensen kunnen samenkomen om te vieren, om
samen te scholen, om plannen te maken. En een gebouw moet uiteraard bijgehouden
worden, dat begrijpt iedereen. Maar toch lijkt God huiverig voor
stenen gebouwen, omdat ze gemakkelijk leiden tot verstarring, stilstaan,
uitsluiting. Hij is liever waar mensen zijn, woont liever in hun harten, gaat liever
met hen op weg. Zouden er daarom misschien voeten op de kerk staan?
Op deze vierde
zondag van de advent wordt aandacht geschonken aan Maria. Wie is zij? Wie is zij
nu voor mij? Wat betekent zij anno 2008 voor mijn leven, behalve de
herinneringen uit mijn jeugdtijd? Het evangelie van vandaag geeft een portret
van haar, waarnaar ik met u wil kijken; Lucas schrijft
over haar. Om dat verhaal van Lucas goed te begrijpen, moeten wij voor ogen
houden, dat hij het schrijft 40 jaar na de dood van Jezus; hij begint met te
zeggen dat hij een ordelijk verslag wil schrijven over het leven van Jezus,
geen ooggetuige-verslag. Hij wil verhalen hoe mensen
Hem ervaren hebben en nog ervaren; en dat was bijzonder; hij verhaalt
over dat bijzondere leven, over die bijzondere man uit Nazareth, die een nieuwe
wereld in het vooruitzicht stelt, Gods koninkrijk.
De traditie wil
dat, toen Lucas klaar was met zijn verhaal over het leven en het optreden van die
Jezus, die zo’n indruk maakte, dat hij toen pas het
eerste hoofdstuk, het verhaal van zijn geboorte, heeft geschreven. Dat is
eigenlijk niet vreemd: Lucas geeft daarmee de opvatting van zijn tijd weer,
namelijk dat die bijzondere mens Jezus ook op een bijzondere manier
geboren moet zijn; dat God zelf daar de hand in moet hebben gehad. Deze
benadering is heel bijbels.
God had immers ook de hand in de geboorte van Isaac, van Mozes, van Samuel, van
Johannes de Doper. Het is ook heel gewoon in andere dan christelijke tradities,
dat rondom bijzondere mensen een bijzonder geboorteverhaal ontstaat.
Zo moeten wij dus
ook het evangelie, dat wij zojuist gehoord hebben, verstaan.
In dit
geboorteverhaal van Lucas zegt Maria in antwoord op de boodschap van de engel Gabriel: “ik ben de
dienares van de Heer, laat met mij gebeuren wat U gezegd hebt”. Eeuwen lang
zijn deze woorden van haar gebruikt (misbruikt) door de kerk om een ideaal
beeld te schetsen van de vrouw: onderdanig, totaal gericht op het moederschap,
op het gezin. De vrouw hoorde thuis te zijn, zich helemaal te geven aan haar
rol als moeder in het gezin. In het publieke terrein van de samenleving was
geen ruimte voor haar; ze was uitgesloten van kiesrecht. Tot het hogere onderwijs
had zij nauwelijks toegang. Ook in de kerk behoorde zij onderdanig te zwijgen,
alleen maar te luisteren. Er was voor haar geen ruimte om mee te denken en mee
te beslissen. Anderen bepaalden voor haar wat haar rol moest zijn.
Het is mijn
overtuiging dat deze uitleg geen recht doet aan Maria. Als zij zegt “ik ben de
dienares van de heer”, dan zijn dit geen woorden van slaafse onderdanigheid,
maar duiden ze op een bewuste weloverwogen keuze van Maria om haar rol te
spelen in het levensprogram van haar zoon, het werken aan een nieuwe wereld van
vrede en gerechtigheid, zijn Koninkrijk
Waaruit concludeer
ik dit? Wanneer
zij hoort, dat ook haar nicht Elisabeth zwanger is gaat zij bij haar op bezoek.
En dan zingt zij een krachtig strijdlied, dat wij kennen als het Magnificat: “God
toont de kracht van zijn arm, wie zich verheven waant slaat Hij uiteen, machtigen
haalt Hij van hun troon, vernederde mensen geeft Hij een hoge plaats, hongerige
mensen overlaadt Hij met gaven, rijken stuurt Hij met lege handen weg.” Maria
is gelukkig met dit beeld van God, de God die het opneemt voor kleine mensen,
de God die geen onrecht duldt, de God die de maatstaven, die in onze wereld
gelden, omdraait. Als geen ander voelt zij aan wat het levensprogramma gaat
worden van het kind, dat zij in haar schoot draagt.
En zij heeft - samen met
haar man Jozef - Hem in dat levensprogram ingevoerd. Maria een Jozef hebben, als
goede ouders, Hem opgevoed, ook in het geloof. Ik moet zeggen
dat ik heel lang gedacht heb, dat het kind Jezus (het was immers een goddelijk
kind) vanaf zijn geboorte alles wist wat Hem in zijn leven zou overkomen, alles
wist wat Hij zou gaan doen, alles wist wat Hij zou moeten doen. Vandaag
denk ik niet meer zo: Ook Jezus moest van kinds af aan leren, ook Hij moest
zich zijn levensprogram eigen maken, ook Hij moest daarin groeien en opgevoed
worden. Het zijn Maria en Jozef geweest, zijn ouders, die Hem daarin zijn
voorgegaan. Het Magnificat was Maria’s geloof, dat zij haar kind heeft geleerd,
voorgeleefd, met de moedermelk heeft ingegeven.
Dit is Maria voor
mij, allesbehalve een onderdanige slaafse figuur, maar juist een krachtige
vrouw, die bereid is haar rol te spelen in het stand brengen van een mooie
wereld.