Water en vuur, twee dingen die eigenlijk niet samen gaan. Als mensen
samenleven als ‘water en vuur’ is er veel ruzie en kunnen mensen niet goed met
elkaar samenleven. En ook letterlijk: water blust het vuur uit, en wat heel erg
nat is, kan niet branden. En toch zijn deze twee symbolen de belangrijkste
tekens bij elke Paaswake.
Water en vuur, vuur en licht: Ze horen bij de grote verhalen uit het
Oude testament: het verhaal van de schepping en het verhaal van de uittocht, de
bevrijding uit de slavernij in Egypte. (We hoorden deze verhalen net in de
lezingen.) Het laatste verhaal, van de uittocht, is het verhaal dat de Joden
vroeger (en ook nu nog) altijd lazen op hun paasfeest. Sterker nog: die bevrijding,
die uittocht was juist de reden van het grote Pesachfeest,
zoals dat bij hun heet. En Jezus vierde het op die laatste avond dat hij met
zijn leerlingen aan tafel zat. Toen hij voorvoelde dat zijn leven niet langer
veilig was omdat zijn manier van leven door de machthebbers als te bedreigend
werd gezien. Op dat feest, aan die maaltijd heeft hij zijn leerlingen dat
bijzondere teken van brood en wijn nagelaten.
Een teken dat wij sindsdien zijn blijven stellen, ‘tot zijn
gedachtenis’, om Jezus te gedenken. Om zijn leven te gedenken, maar ook Zijn
dood, die door God teniet werd gedaan; zodat zij mochten ervaren dat er weer toekomst
was, een nieuw leven na de dood.
Het is dus niet verwonderlijk dat de eerste christenen na Jezus’ dood
het verhaal van die bevrijding uit Egypte zijn gaan toepassen op Jezus. Zoals
Mozes eens het joodse volk bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte, zo heeft
Jezus door zijn leven en dood de mensen bevrijd uit de macht van de dood. En
wat wij ons daar precies bij mogen verstellen, dat weet niemand, maar we mogen
geloven dat ons leven in navolging van Jezus niet zinloos of vergeefs is, dat
er een toekomst is die boven al het menselijke uitgaat. Dit hoort dus allemaal
bij het symbool water!
Het andere verhaal, dat over licht en vuur, het verhaal van de
schepping hoort bij het tweede symbool, de paaskaars. We hebben hem net
ontstoken aan het nieuwe vuur. En we zongen “Gods
licht zal ons leiden”. Licht is een teken van de liefde van God. In de verhalen
van het Nieuwe Testament wordt Jezus ook van Het Licht genoemd, iemand die
vooral voor mensen die het moeilijk hadden, die in het donker zaten van
verdriet of pijn, van ziekte of armoede, geweld of onderdrukking, voor hen
wilde hij Licht zijn; hen wilde Hij helpen. Daarom
komt er elk jaar weer een Paaskaars, als teken van
Jezus die Licht wilde zijn voor iedereen.
En nu kan dat licht nog iets heel bijzonders. Om dat te laten zien, heb
ik even wat hulp nodig van enkele kinderen die even een kaars willen
vasthouden. Wie wil mij even helpen?.....
(de kinderen krijgen een kaarsje. Ik vraag één kind de lichtjes van de
andere kinderen aan te maken.)
Wat gebeurt er nu met het lichtje van die kaars? Wordt dat vlammetje
kleiner als je het ‘uitdeelt’?
Zo is het ook met de liefde: als je die uitdeelt, als je die doorgeeft
wordt het meer.
Maar je kunt het vlammetje ook uitblazen; dan heb je iemand nodig die
het weer helpt aan te maken. Daarvoor zijn we samen. Om elkaar te helpen de
lichtjes brandend te houden. Om elkaar te helpen geloven. Om elkaar te helpen
als iemand het moeilijk heeft.
Vuur en licht kun je dus doorgeven. Het zou
fijn zijn als wij zo ‘elkaar kunnen aansteken’, om net als Jezus een licht te
zijn. God is ermee begonnen toen Hij de wereld schiep. Jezus
heeft zijn vrienden ermee ‘aangestoken’. En nu mogen wij ons laten ‘aansteken’
door dat vuur.
Want: Pasen is zelf –
wonderlijk – opnieuw durven opstaan
en
anderen weer – verwonderlijk – kunnen oprichten.
Zullen we het Pasen laten worden, nu even sterk als toen ?
Waar beginnen we ?
(uit Visie : Jean-Paul Vermassen).