Getuigen van het leven

© Geert Bles, Heerlen 2010



Dertig jaar geleden, op 24 maart 1980, werd de aartsbisschop van El Salvador, Oscar Romero, achter het altaar doodgeschoten, door handlangers van de rijke grootgrondbezitters. Waarom? Hij kwam op voor de arme mensen in zijn land. Twee weken tevoren zei hij nog tegen een journalist: “Ik ben veelvuldig met de dood bedreigd. Ik moet u zeggen dat ik als christen niet geloof in de dood zonder verrijzenis. Als ze mij vermoorden, zal ik verrijzen in het volk van El Salvador.”  Dit stond in de krant verleden week onder het kopje: “Stem der stemlozen” nog altijd springlevend. “Stem der stemlozen” werd hij genoemd, de bisschop van  San Salvador. Bij zijn begrafenis riep het volk als met één stem: Presente! Hij is er! Hij die zich identificeerde met de armen in zijn land: hij leeft! Op 1 Juni 2009 kreeg El Salvador een nieuwe president, Mauricio Funes, een van die armen. Hij noemt bisschop Oscar Romero: “De heilige Romero van Amerika.”

 

Dit klinkt als een paasverhaal: Ik zal verrijzen in mijn volk. Wat moet ik daarvan denken? Geloven? Moet ik geloven dat hij weer terugkeert naar het verleden? Dat zijn lichaam weer tot leven wordt gewekt? Ik heb er niet zomaar een antwoord op, ik weet het niet, ik geloof het niet. Ik ontken het niet, maar ik wil in ieder geval geloven dat mijn dierbare - hoe dan ook - in de handen van God is, dat hij/zij thuis is, dat het goed is met hem/haar, want mijn God is een God van liefde: “Als je moeder je zou kunnen vergeten, ik zal je niet vergeten”, zegt God van zichzelf. Het Paasgeloof heeft - mijn inziens -  niet iets te maken met ‘tot leven wekken van een lichaam’, alsof er uit de dood een terugkeer mogelijk zou zijn. Het Paasgeloof zegt veeleer: al is er geen weg terůg, er is wél een weg verder. De dood is geen eindpunt, er is iets anders, er is ‘een verder’, er is een leven bij God, dat de dood niet ontkent maar overstijgt. Dat is mijn Paasgeloof.

 

In de eerste lezing, de Handelingen v.d. Apostelen, vertelt Petrus heel concreet wat hij met Jezus heeft meegemaakt, over zijn leven, over zijn doop door Johannes, over hoe Jezus weldoende rondging en mensen genas, over hoe ze Hem gedood hebben. Wij waren getuigen, zegt Petrus, van zijn léven, van wat Hij gedaan heeft, van wat ze Hem hebben aangedaan, getuigen ook van zijn verrijzenis. En Hij gaf ons de opdracht om daarvan te getuigen, zowel van zijn leven als van zijn dood en opstanding. En dat doe ik bij deze, zegt Petrus; en hij vertelt van zijn geloof. De belangrijkste gebeurtenissen die Petrus in dit verband heeft meegemaakt laat hij de revue passeren en wat blijkt? Het paasgeloof gaat niet over de opstanding alléén, niet over het lege graf alléén, het gaat over álles in Jezus’ leven.

 

Ik wil graag - wel met een beetje schroom - een ervaring met u delen. Eergisteren - op Goede Vrijdag - heb ik vanaf drie uur vanuit deze kerk - met een bescheiden groepje parochianen - de kruisjestocht gelopen door de wijk. Op een gegeven ogenblik sloot een groepje van Schoon GMS, twee leidinggevenden en twee verslaafden, zich bij ons aan. We kregen elk een oranje hesje, met ‘Schoon GMS’ erop, en een prikstok en liepen samen door de wijk, afval pikkend en verzamelend in een plastic zak. Het was een heel aparte ervaring - best moeilijk in het begin – maar het deed hun wat, het deed ons wat. Je kon zien dat zij open bloeiden en glunderden, als ze konden laten zien hoe je een platgewalst bierblikje moest oppikken. Ik heb gaandeweg duidelijk gekregen - ik spreek voor mijzelf, maar ik vermoed dat ook de anderen dit zo hebben gevoeld - wat de weg van Jezus was, namelijk: er zijn voor mensen die in onze samenleving niet in tel zijn, niet gehoord worden, de ‘stemlozen’ van vandaag; en je letterlijk met hen identificeren.  

 

Ik wil er uitdrukkelijk bijzeggen, dat het geen eenrichtingverkeer was. Het deed ook mij wat.  Als ik erop terugkijk, voel ik ook hoeveel zij mij hebben gegeven in dat korte stukje dat wij samen opliepen. Het was bijzonder om op deze manier Goede Vrijdag te vieren, buiten de kerkmuren.    

 

Stel dat een journalist ook mij vandaag zou interviewen, dan zou ik misschien ook zeggen: Ik hoop dat ik straks zó zal voortleven in de Andreasgemeenschap. Dat datgene wat ik gedaan en gezegd heb, zal voortleven in deze gemeenschap van mensen, dat ik zal herinnerd worden als iemand, die - met een oranje hesje aan van Schoon GMS - op Goede Vrijdag 2010, om drie uur, samen met die ‘armen’ en enkele mensen van de parochie, vuil van de straat heb opgepikt. Wie weet, wat er strakjes gebeurt, als deze ‘armen’ een steeds meer centrale plek krijgen in onze gemeenschap?

 

Natuurlijk zou ik dan best graag eens om het hoekje willen  kijken (of boven door dat raampje), hoe de Andreasgemeenschap het doet, maar ik denk dat dit ijdelheid genoemd wordt. Wat belangrijker is, is:  dat mensen zich nog zullen herinneren, wat me toen dierbaar was, waar ik voor wilde staan toen, en dat toen - op Goede Vrijdag 2010 - het stervensuur van Jezus ook voor mij een overwinning was, misschien wel het meest een overwinning op mijzelf.

 

GaandeWeg” hebben jongelui op de paaskaars geschilderd…. gaan-de-Weg van Jezus van Nazareth, en van Oscar Romero,  en van…van…van…

 Ik wens ons allen een Zalig Pasen!